De Vlaamse Codex Wonen van 2021 stelt de gemeente aan als coördinator en regisseur van het lokaal woonbeleid.
Gemeenten kunnen, zoals bepaald in de Vlaamse Codex Wonen, een register van leegstaande woningen en gebouwen bijhouden. Daarbij kunnen ze nadere materiële en procedurele regels voor het leegstandsregister bepalen.
Het reglement houdende registratie van en belasting op leegstaande woningen en gebouwen dient hernieuwd te worden vanaf 1 januari 2026.
De gemeente maakt deel uit van IGS Wonen Zonnebeke – Langemark-Poelkapelle. Voor een gemeente die deelneemt aan een gesubsidieerd intergemeentelijk samenwerkingsproject lokaal woonbeleid is het opsporen, registreren en aanpakken van leegstaande woningen en gebouwen verplicht.
Doel van de belasting
De langdurige leegstand van woningen en gebouwen in de gemeente moet voorkomen en bestreden worden:
Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van dit reglement wordt verstaan onder:
°1 Administratie: het intergemeentelijke samenwerkingsverband dat door het gemeentebestuur wordt belast met de opmaak, de opbouw, het beheer en de actualisering van het leegstandsregister.
Conform artikel 2.9 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 draagt de gemeente de opmaak, de opbouw, het beheer en de actualisering van het leegstandsregister over aan IGS Woondienst Zonnebeke – Langemark-Poelkapelle. IGS Woondienst Zonnebeke – Langemark-Poelkapelle voert alle taken uit voor de opmaak, de opbouw, het beheer en de actualisering van het leegstandsregister.
°2 Beroepsinstantie: het college van burgemeester en schepenen.
°3 Beveiligde zending: één van de hiernavolgende betekeningswijzen:
°4 Gebouw: elk bebouwd onroerend goed, dat zowel het hoofdgebouw als de bijgebouwen omvat, met uitsluiting van bedrijfsruimten, vermeld in artikel 2,1°, van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten.
°5 Kamer: een woning waarin een toilet, een bad of douche of een kookgelegenheid ontbreken en waarvan de bewoners voor een of meer van die voorzieningen aangewezen zijn op de gemeenschappelijke ruimten in of aansluitend bij het gebouw waarvan de woning deel uitmaakt.
°6 Leegstaand gebouw: gebouw dat beantwoordt aan de definitie in artikel 2.10., §2, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, namelijk een gebouw waarvan meer dan de helft van de totale vloeroppervlakte niet overeenkomstig de functie van het gebouw wordt aangewend gedurende een periode van ten minste 12 opeenvolgende maanden. Hierbij wordt geen rekening gehouden met woningen die deel uitmaken van het gebouw.
De functie van het gebouw is deze die overeenkomt met een voor het gebouw of voor gedeelten daarvan uitgereikte omgevingsvergunning of meldingsakte als vermeld in artikel 6 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning. Bij een gebouw waarvoor geen vergunning of melding voorhanden is of waarvan de functie niet duidelijk uit een vergunning of melding blijkt, wordt deze functie afgeleid uit het gewoonlijk gebruik van het gebouw voorafgaand aan het vermoeden van leegstand zoals dat blijkt uit aangiften, akten of bescheiden.
Een gebouw dat in hoofdzaak gediend heeft voor een economische activiteit, vermeld in artikel 2, 2°, van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten, wordt niet beschouwd als leegstaand zolang de oorspronkelijke beoefenaar van deze activiteit een gedeelte van het gebouw bewoont en dat gedeelte niet afsplitsbaar is. Een gedeelte is eerst afsplitsbaar indien het na sloping van de overige gedeelten kan worden beschouwd als een afzonderlijke woning die voldoet aan de bouwfysische vereisten.
°7 Leegstaande woning: woning die beantwoordt aan de definitie in artikel 2.10, §2 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, namelijk een woning die gedurende een periode van ten minste 12 opeenvolgende maanden niet aangewend wordt in overeenstemming met de woonfunctie die blijkt uit een omgevingsvergunning of meldingsakte als vermeld in artikel 6 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning die voor die woning is uitgereikt. Bij een woning waarvoor er geen vergunning of melding is, of waarvan de functie niet duidelijk blijkt uit een vergunning of melding, wordt de functie afgeleid uit het gewoonlijk gebruik van de woning dat voorafging aan het vermoeden van leegstand, zoals dat blijkt uit aangiften, akten of bescheiden; of een functie die een effectief en niet-occasioneel gebruik van de woning met zich meebrengen, zoals omschreven in art °7.1.
°7.1 De volgende functies brengen een effectief en niet-occasioneel gebruik van de woning met zich mee: minstens de helft van de vloeroppervlakte wordt gebruikt voor de uitoefening van vrije beroepen, handel, kantoor, horeca of dienstverlening.
Woningen met daarin louter opslag (ook in functie van vrije beroepen, handel, kantoor, horeca of dienstverlening) worden wel beschouwd als leegstaande woningen.
°8 Leegstandsregister: het gemeentelijk register van leegstaande gebouwen en woningen, zoals vermeld in art 2.9. van de Vlaamse Codex Wonen van 2021.
°9 Leegstand bij nieuwbouw: woning die beantwoordt aan de definitie in artikel 2.10, §3 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, namelijk een nieuw gebouw of een nieuwe woning wordt als een leegstaand gebouw of een leegstaande woning beschouwd indien dat gebouw of die woning binnen 7 jaar na de afgifte van een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen in laatste administratieve aanleg niet aangewend wordt overeenkomstig zijn functie.
°10 Opnamedatum: de datum waarop het gebouw of de woning in het leegstandsregister wordt opgenomen.
°11 Woning: elk onroerend goed of deel ervan dat hoofdzakelijk bestemd is voor de huisvesting van een gezin of alleenstaande, zoals vermeld in artikel 1.3, §1, 66° van de Vlaamse Codex Wonen van 2021.
°12 Houder van het zakelijk recht: de houder van één van de volgende zakelijke rechten:
HOOFDSTUK 1. LEEGSTANDSREGISTRATIE
Het leegstandsregister
§1. De administratie houdt een leegstandsregister bij. Het leegstandsregister bestaat uit twee afzonderlijke lijsten:
Een woning die geïnventariseerd is als ongeschikt en/of onbewoonbaar, wordt niet opgenomen in het leegstandsregister. Een woning die opgenomen is in het leegstandsregister kan wel opgenomen worden in de inventaris van ongeschikt en onbewoonbaar verklaarde woningen.
Een gebouw dat of een woning die opgenomen is in het register van verwaarloosde woningen en gebouwen kan opgenomen worden in het leegstandsregister. Een gebouw dat of een woning die opgenomen is in het leegstandsregister kan eveneens opgenomen worden in het register van verwaarloosde gebouwen en woningen.
§2. In elke lijst worden de volgende gegevens opgenomen:
Registratie in het leegstandsregister
§1. De door het college van burgemeester en schepenen met de opsporing van leegstand belaste personeelsleden bezitten de onderzoeks-, controle- en vaststellingsbevoegdheden, vermeld in artikel 6 van het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen.
§2. Een leegstaand gebouw of een leegstaande woning wordt opgenomen in het leegstandsregister aan de hand van een genummerd opnameattest waarbij één of meerdere foto’s en een beschrijvend verslag, met vermelding van de indicaties die de leegstand staven, toegevoegd worden. De datum van het opnameattest geldt als de datum van de vaststelling van de leegstand en geldt als opnamedatum.
§3. De leegstand wordt beoordeeld op basis van één of meerdere objectieve indicaties zoals vermeld in de volgende lijst:
1) Administratieve vaststellingen:
2) Onmogelijkheid om de woning te bewonen of het gebouw te gebruiken:
3) Uitwendige indicaties van leegstand:
4) Inwendige indicaties van leegstand:
5) Getuigenissen: verklaringen van omwonende(n), postbode, wijkagent.
6) Het vermoeden dat de woning niet wordt bewoond, ondanks inschrijving in het bevolkingsregister.
7) Indicaties dat de woning voor andere functies dan de woonfunctie gebruikt wordt.
8) Indicaties dat het gebouw niet volgens zijn functie wordt gebruikt.
9) Andere vaststellingen die ter plaatse vastgesteld kunnen worden.
Kennisgeving van registratie in het leegstandsregister
§1. De administratie richt een vermoedensbrief van leegstand, met in bijlage een inlichtingenfiche, aan de houder van het zakelijk recht.
§2. Binnen een termijn van 30 dagen, ingaand de dag na deze van de verzending van de vermoedensbrief, dient de houder van het zakelijk recht de inlichtingenfiche ingevuld en ondertekend terug te bezorgen aan de administratie.
§3. Indien het vermoeden van leegstand kan weerlegd worden, wordt het gebouw of de woning niet opgenomen in het leegstandsregister. De administratie brengt de houder van het zakelijk recht binnen de 60 dagen op de hoogte van deze beslissing.
§4. Indien het vermoeden van leegstand niet weerlegd wordt, wordt de houder van het zakelijk recht per beveiligde zending in kennis gesteld van de beslissing tot opname in het leegstandsregister. De kennisgeving bevat:
De beveiligde zending wordt gericht aan de woonplaats van de houder(s) van het zakelijk recht. Is een woonplaats niet gekend, dan wordt de beveiligde zending gericht aan zijn verblijfplaats. Is de verblijfplaats niet gekend, dan vindt de betekening plaats aan het adres van de woning of het gebouw waarop het opnameattest betrekking heeft.
Beroep tegen registratie in het leegstandsregister
§1. Binnen een termijn van 30 dagen, ingaand de dag na deze van de betekening van het schrijven, vermeld in artikel 4 §4, kan de houder van het zakelijk recht bij de beroepsinstantie beroep aantekenen tegen de beslissing tot opname in het leegstandsregister. Het beroep wordt per beveiligde zending betekend.
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en minimaal volgende gegevens bevatten:
Als datum van het beroepschrift wordt de datum van de beveiligde zending gehanteerd.
Als het beroepschrift ingediend wordt door een persoon die optreedt namens de houder van het zakelijk recht voegt hij bij het dossier een schriftelijke machtiging tot vertegenwoordiging, tenzij hij optreedt als raadsman die ingeschreven is aan de balie als advocaat of als advocaat-stagiair.
§2. Zolang de indieningstermijn van 30 dagen niet verstreken is, kan een vervangend beroepschrift ingediend worden waarbij het eerdere beroepschrift als ingetrokken wordt beschouwd.
§3. Elk inkomend beroepschrift wordt in het leegstandsregister geregistreerd en aan de indiener wordt een ontvangstbevestiging afgegeven of verstuurd.
§4. Het beroepschrift is onontvankelijk als het niet is ingediend overeenkomstig de bepalingen in §1.
§5. Als het beroepschrift onontvankelijk is, deelt de beroepsinstantie dit onverwijld mee aan de indiener. Het indienen van een aangepast of nieuw beroep is mogelijk zolang de beroepstermijn van §1 niet verstreken is.
§6. De beroepsinstantie onderzoekt de gegrondheid van de ontvankelijke beroepschriften op stukken als de feiten vatbaar zijn voor directe, eenvoudige vaststelling of met een feitenonderzoek, dat uitgevoerd wordt door het met de opsporing van leegstaande gebouwen en woningen belaste personeelslid. Het beroep wordt geacht ongegrond te zijn als de toegang tot een gebouw of een woning geweigerd of verhinderd wordt voor het feitenonderzoek.
§7. De beroepsinstantie doet uitspraak over het beroep en betekent zijn beslissing met een beveiligde zending aan de indiener ervan binnen een termijn van 90 dagen, die ingaat op de dag na deze van de betekening van het beroepschrift.
§8. Als de kennisgeving vermeld in §7 niet is gebeurd binnen de voorziene termijn, wordt het beroep geacht te zijn ingewilligd.
§9. Als de beslissing tot opname in het leegstandsregister niet tijdig betwist wordt of het beroep onontvankelijk of ongegrond verklaard wordt, blijft de woning of het gebouw opgenomen in het leegstandsregister.
§10. Tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen over het beroep tegen de registratie kan binnen een termijn van 3 maanden na de kennisgeving van die beslissing een hoger beroep worden ingesteld bij de rechtbank van eerste aanleg. Artikelen 1385decies en 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek zijn van toepassing.
Schrapping uit het leegstandsregister
§1. Een woning wordt uit het leegstandsregister geschrapt als een houder van het zakelijk recht bewijst dat de woning gedurende een termijn van ten minste 6 opeenvolgende maanden aangewend wordt overeenkomstig de functie, zoals omschreven in artikel 1, 7°.
De datum van schrapping is de eerste dag van de aanwending overeenkomstig de functie. Het effectief gebruik zal blijken uit de inschrijvingen in de bevolkingsregisters of desgevallend na een onderzoek ter plaatse.
§2. Een gebouw wordt uit het leegstandsregister geschrapt als een houder van het zakelijk recht bewijst dat meer dan de helft van de totale vloeroppervlakte overeenkomstig de functie, vermeld in artikel 1, 6°, aangewend wordt gedurende een termijn van ten minste 6 opeenvolgende maanden.
De datum van schrapping is de eerste dag van de aanwending overeenkomstig de functie. De administratie stelt deze aanwending vast via administratieve data of desgevallend na een onderzoek ter plaatse.
§3. Een woning of gebouw waarvoor een stedenbouwkundige vergunning/omgevingsvergunning voor sloop werd aangevraagd en vergund, wordt uit het leegstandsregister geschrapt bij totale sloop van de woning of het gebouw en verwijdering van alle (bouw)afval op het perceel.
§4. Een woning of gebouw, waarin een wijziging van het aantal woongelegenheden werd aangevraagd en vergund, wordt geschrapt uit het leegstandsregister op datum van de opmaak van het verslag dat de voltooiing van de werkzaamheden en de wijziging van het aantal woongelegenheden bevestigt.
§5. Een (handels)huurovereenkomst kan nooit als bewijs gelden voor de beëindiging van de leegstand van een gebouw of woning, aangezien deze geen enkele aanwijzing geeft omtrent de effectieve benutting van het gebouw.
§6. Voor de schrapping uit het leegstandsregister richt de houder van het zakelijk recht een gemotiveerd verzoek aan de administratie via beveiligde zending. Dit verzoek bevat:
Als datum van het verzoek wordt de datum van de aangetekende zending gehanteerd.
Als het verzoek ingediend wordt door een persoon die optreedt namens de houder van het zakelijk recht, voegt hij bij het dossier een schriftelijke machtiging tot vertegenwoordiging, tenzij hij optreedt als raadsman die ingeschreven is aan de balie als advocaat of als advocaat-stagiair.
De administratie kan ambtshalve schrappen indien ze reeds over de nodige gegevens en bewijsstukken beschikt.
De administratie onderzoekt of er redenen zijn tot schrapping uit het leegstandsregister en neemt een beslissing binnen een termijn van 90 dagen na de ontvangst van het verzoek. Het verzoek wordt geacht ongegrond te zijn als de toegang tot een pand geweigerd of verhinderd wordt voor het feitenonderzoek.
De administratie brengt de verzoeker op de hoogte van haar beslissing met een beveiligde zending.
Tegen de beslissing over het verzoek tot schrapping kan de houder van het zakelijk recht beroep aantekenen volgens de procedure, vermeld in artikel 5.
HOOFDSTUK 2: Belasting
Belasting op leegstaande woningen en gebouwen
§1. Er wordt voor de aanslagjaren 2026 tot en met 2031 een gemeentebelasting gevestigd op de woningen en gebouwen die zijn opgenomen in het leegstandsregister.
De definities van woningen, gebouwen, leegstaande woning, leegstaand gebouw en leegstandsregister zijn omschreven in artikel 1.
§2. De belasting is voor het eerst verschuldigd vanaf het ogenblik dat de woning of het gebouw gedurende 6 opeenvolgende maanden opgenomen is in het leegstandsregister, dat wil zeggen 6 maanden na datum van het opnameattest.
§3. Zolang het gebouw of de woning niet is geschrapt uit het leegstandsregister, blijft de belasting verschuldigd bij het verstrijken van elke opeenvolgende periode van 12 maanden, te rekenen vanaf de termijn beschreven in paragraaf 2.
Belastingplichtige
§1. De belasting is verschuldigd door de houder van het zakelijk recht van het leegstaande gebouw of de leegstaande woning op het ogenblik dat de belasting verschuldigd is, zoals vermeld in artikel 7 §2.
Als er een recht van opstal, erfpacht, vruchtgebruik of recht van bewoning bestaat, is de belasting verschuldigd door de houder van dat zakelijk recht van opstal, van erfpacht, van vruchtgebruik of van bewoning op het ogenblik dat de belasting van het aanslagjaar verschuldigd wordt.
In geval van overlijden van de belastingplichtige wordt ingekohierd op naam van de overleden belastingplichtige voorafgegaan door het woord ‘Erfgenamen’.
In geval van onverdeeldheid van meerdere belastingplichtigen wordt ingekohierd hetzij op naam van alle belastingplichtigen, hetzij op naam van een of meer van de belastingplichtigen, gevolgd door de vermelding ‘en rechthebbenden’.
§2. In geval van mede-eigendom zijn de mede-eigenaars hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de volledige belastingschuld.
Ingeval er meerdere andere houders zijn van het zakelijk recht, zijn deze eveneens hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de volledige belastingschuld.
§3. In geval van overdracht van het zakelijk recht stelt de instrumenterende ambtenaar de verkrijger van het zakelijk recht er voorafgaandelijk van in kennis dat het goed is opgenomen in het leegstandsregister.
De instrumenterende ambtenaar stelt de administratie binnen 2 maanden na het verlijden van de authentieke overdrachtsakte in kennis van de overdracht, de datum ervan, de identiteitsgegevens, het adres en het eigendomsaandeel van de nieuwe zakelijk gerechtigde(n).
Tarief van de belasting
§1. De belasting bedraagt:
§2. De belasting wordt vermeerderd met volgend tarief per bijkomende termijn van twaalf maanden dat het gebouw of de woning in het leegstandsregister staat.
De maximale belasting bedraagt:
De jaren waarvoor een vrijstelling werd toegekend, tellen niet mee voor de berekening van de belasting.
§3. Bij overdracht van het zakelijk recht betreffende het gebouw of de woning, wordt de belasting herrekend. De datum van notariële akte geldt als referentiedatum om de heffingsdatum en het bedrag van de heffing te berekenen.
Dit geldt niet:
Vrijstellingen
§1. De houder van het zakelijk recht die gebruik wenst te maken van een vrijstelling dient hiervoor zelf de nodige bewijsstukken voor te leggen. Deze vrijstellingen moeten elk jaar opnieuw, per aanslagjaar, voor de datum van het verschuldigd zijn van de belasting worden aangevraagd.
De aanvrager richt de aanvraag per beveiligde zending of via het online aanvraagformulier aan de gemeente. Het college van burgemeester en schepenen beslist binnen een termijn van orde van 60 dagen na de ontvangst van het verzoek. Indien bijkomend onderzoek nodig is, kan de termijn verlengd worden met 60 dagen. De administratie brengt de verzoeker per brief in kennis van de beslissing over de vrijstelling.
Een beroep tegen de beslissing over een aanvraag tot vrijstelling kan ingediend worden bij de beroepsinstantie overeenkomstig de procedure, vermeld in artikel 12.
De gemeente kan ambtshalve vrijstellingen verlenen indien ze reeds over de nodige gegevens en bewijsstukken beschikt.
Uitsluitend de in het reglement opgesomde vrijstellingen worden toegepast.
§2. Persoonsgebonden vrijstellingen
Een vrijstelling wordt verleend aan:
1° de belastingplichtige die in een psychiatrische instelling, een erkende ouderenvoorziening, een erkende assistentiewoning of elders verblijft in het kader van mantelzorg, wordt vrijgesteld van de belasting. Het bewijs van het verblijf moet geleverd worden door de psychiatrische instelling, de erkende ouderenvoorziening, de beheerinstantie van de erkende assistentiewoning of door de huisarts voor wat betreft het verblijf in het kader van mantelzorg. De belastingplichtige is de laatste bewoner van het geïnventariseerde pand. Deze vrijstelling kan maximaal 5 keer verleend worden vanaf de opname van de woning in het leegstandsregister. In geval van mede-eigendom geldt de vrijstelling voor alle eigenaars.
2° de belastingplichtige waarvan de handelingsbekwaamheid beperkt werd ingevolge een gerechtelijke beslissing. Een afschrift van de gerechtelijke beslissing moet worden voorgelegd. De belastingplichtige moet de laatst gedomicilieerde bewoner zijn van de woning. Deze vrijstelling kan maximaal 5 keer verleend worden in de 5 jaar volgend op de datum van de gerechtelijke beslissing. In geval van mede-eigendom geldt de vrijstelling voor alle eigenaars.
3° de belastingplichtige die op het ogenblik dat de belasting verschuldigd is, minder dan 1 jaar zakelijk gerechtigde is van het gebouw of de woning. Deze vrijstelling geldt ook voor de belastingplichtige die het zakelijk recht geheel of gedeeltelijk heeft verkregen via opvolging of testament. De belastingplichtige dient de vrijstelling aan te vragen met bewijsstukken (aankoopakte, akte van erfopvolging, testament, eigendomsakte).
Deze vrijstelling geldt niet:
4° de door de Vlaamse overheid erkende woonmaatschappijen:
5° de belastingplichtige die kan bewijzen dat de woning of het gebouw verkocht is aan de hand van een onderhandse verkoopovereenkomst. Nadien moet het bewijs geleverd worden dat binnen de 4 maanden na ondertekening van de onderhandse verkoopovereenkomst de notariële akte is verleden. Deze vrijstelling kan worden toegekend voor de eerste heffing volgend op de datum van de onderhandse verkoopovereenkomst.
De onderhandse overeenkomst bevat geen opschortende voorwaarden, met uitzondering van een eventuele opschortende voorwaarde van het verkrijgen van het akkoord van de schuldeisers tot doorhaling van de hypothecaire in- of overschrijvingen en/of het verkrijgen van een omgevingsvergunning. De duur van de vrijstelling wordt beperkt tot de duur die afgesproken is in de verkoopovereenkomst. Jaarlijks moet een stand van zaken aangetoond worden. Indien de onderhandse overeenkomst wel andere opschortende voorwaarden bevat, kan enkel een vrijstelling worden verleend als de opschortende voorwaarden vervuld zijn en de overeenkomst inzake de overdracht definitief is geworden. Een decretale verplichting om een voorkooprecht aan te bieden wordt niet als een opschortende voorwaarde beschouwd.
Een optie en een eenzijdige aankoopbelofte worden niet beschouwd als een onderhandse verkoopovereenkomst en geven geen recht op het verkrijgen van een vrijstelling.
6° De belastingplichtige die aantoont dat er sprake is van overmacht waardoor de woning of het gebouw geregistreerd blijft buiten de wil van de belastingplichtige. De vrijstelling wordt toegekend voor 1 aanslagjaar en kan jaarlijks verlengd worden als de overmacht aanhoudt.
Er kan pas sprake zijn van overmacht indien de inventarisatie aanhoudt omwille van redenen die volledig buiten de wil van de belastingplichtige om gebeuren en kan aangetoond worden dat de belastingplichtige tijdig alles in het werk heeft gesteld om die ongewilde situatie op te lossen. De vrijstelling wordt toegekend voor 1 aanslagjaar, maar kan verlengd worden zolang de overmacht aanhoudt. De belastingplichtige moet de vrijstelling dan zelf opnieuw aanvragen en motiveren met de nodige bewijsstukken, waaruit blijkt dat de overmacht nog steeds aanhoudt.
§3. Gebouwgebonden vrijstellingen
Een vrijstelling wordt verleend als het gebouw of de woning:
1° gelegen is binnen de grenzen van een door de bevoegde overheid goedgekeurd onteigeningsplan of de eigenaar geen omgevingsvergunning krijgt omdat er een onteigeningsplan wordt voorbereid. De vrijstelling geldt tot aan de effectieve onteigening of stopzetting van het onteigeningsplan.
2° beschermd is als monument of stad- of dorpsgezicht, krachtens het decreet van 12 juli 2013 en de bevoegde overheid een ingediend dossier voor een restauratiepremie ontvankelijk heeft bevonden of een attest heeft afgeleverd dat het pand in de huidige toestand mag blijven. Deze vrijstelling geldt zolang het restauratiedossier loopt, of zolang het attest geldt.
3° op een perceel staat waarop een bodemsaneringsplicht rust en voldoet aan één van volgende voorwaarden:
4° vernield of beschadigd werd ten gevolge van een plotse ramp.
Een ramp is elke gebeurtenis die zich heeft voorgedaan buiten de wil van de eigenaar en die uiterlijk waarneembare schade veroorzaakt aan het gebouw of de woning, waardoor het gebruik of de bewoning van het gebouw of de woning geheel of ten dele onmogelijk wordt.
Deze vrijstelling geldt tot 6 maanden na uitbetaling van het verzekeringsbedrag of indien de vernieling of beschadiging niet door een verzekering gedekt zijn, tot maximaal 2 jaar na het optreden van deze vernieling of beschadiging.
De eigenaar legt de bewijsstukken van de verzekering voor.
5° wordt gerenoveerd met als doel het gebouw of de woning opnieuw in gebruik te nemen overeenkomstig zijn functie.
6° wordt gesloopt (evt. gevolgd door nieuwbouw):
Voorwaarden:
7° een niet voltooide nieuwbouwwoning betreft. Deze vrijstelling wordt enkel toegekend aan de belastingplichtige die op het ogenblik dat de belasting verschuldigd is, minder dan 2 jaar zakelijk gerechtigde is van het gebouw of de woning. Deze vrijstelling geldt niet indien de nieuwe zakelijk gerechtigde een rechtspersoon betreft waarin de vorige zakelijk gerechtigde rechtstreeks of onrechtstreeks participeert. Deze vrijstelling kan maximaal 1 keer worden toegekend. De belastingplichtige dient de bewijsstukken voor te leggen dat de nodige werken worden uitgevoerd om de woning af te werken en te bewonen.
Wijze van inning
De belasting wordt ingevorderd met een kohier dat vastgesteld en uitvoerbaar verklaard wordt door het college van burgemeester en schepenen.
Bezwaarmogelijkheid
Op grond van het Decreet van 30 mei 2008 en volgens de daar beschreven voorwaarden kan tegen deze belasting een bezwaar ingediend worden bij het college van burgemeester en schepenen.
Het Decreet van 30 mei 2008 bepaalt dat het bezwaar schriftelijk moet worden ingediend, ondertekend en gemotiveerd moet zijn. Het bezwaar moet worden ingediend door de belastingschuldige of zijn vertegenwoordiger.
Het bezwaarschrift wordt op straffe van verval ingediend binnen 3 maanden vanaf de datum waarop de belastingplichtige het aanslagbiljet heeft ontvangen of vanaf de kennisgeving van de aanslag. Het aanslagbiljet wordt geacht ontvangen te zijn op de derde werkdag die volgt op de datum van de verzending van het aanslagbiljet. Als het aanslagbiljet verzonden werd via elektronische weg, geldt de datum van de elektronische verzending als datum van zijn verzending.
Als het bestuur en de belastingplichtige hetzelfde informatiesysteem gebruiken om elektronische berichten uit te wisselen, zoals de eBox, wordt het aanslagbiljet geacht te zijn ontvangen op het tijdstip waarop het aanslagbiljet voor de belastingplichtige toegankelijk wordt.
Van het bezwaarschrift wordt een ontvangstbewijs verstuurd, binnen 15 kalenderdagen na de indiening ervan.
Als de belastingschuldige of zijn vertegenwoordiger dat in het bezwaarschrift heeft gevraagd, zal de belastingschuldige of zijn vertegenwoordiger uitgenodigd worden op een hoorzitting.
De beslissing van de bevoegde overheid wordt met een aangetekende brief betekend aan de belastingschuldige en, in voorkomend geval, zijn vertegenwoordiger.
Inwerkingtreding en bekendmaking
Dit reglement treedt in werking op 1 januari 2026.
Woningen en gebouwen die opgenomen zijn in het gemeentelijk leegstandsregister voor die datum blijven opgenomen met behoud van de oorspronkelijke opnamedatum.
Dit reglement wordt bekend gemaakt overeenkomstig artikel 286 van het decreet over het lokaal bestuur.
Kennisgeving toezicht
Een afschrift van deze beslissing zal overgemaakt worden aan de toezichthoudende overheid.